Voor mij is het schrijven van een gedicht een beetje zoals een ontsnappingspoging. Ik moet tijdens het schrijven verschillende manieren en wegen proberen die voor mij allemaal nodig zijn om te kunnen benaderen wat ik zoek en wil maken (ook al blijft dat uiteindelijk toch onvindbaar of onzegbaar, en misschien is het voor de levenden simpelweg ontoegankelijk, maar dat doet er allemaal niet zoveel toe). Vroeger ervaarde ik dat ook al zo, maar toen wist ik überhaupt nog niet goed waarvan en waaraan ik nou precies wilde ontsnappen, alleen dat ik dat op een gegeven moment op één of andere manier wilde doen. Alleen wist ik daardoor natuurlijk ook niet waar ik dan zo nodig wél naartoe moest.
Deze handgeschreven notities van mijn leraar naast mijn poëtische probeersels zijn een versmelting van iets proberen en de kritische beschouwing daarvan, die uitnodigt tot een dieper inzicht in het waarom je iets doet.
Niet mijn gedichten zelf maar het geheel met de kritische notities erbij is de poëzie.
(De teksten had ik op een oude typmachine geschreven, zodat ik zodra ik iets geschreven had niets meer kon verwijderen zonder zichtbare littekens in de tekst achter te laten. Op de computer kreeg ik in die tijd maar weinig gedaan omdat ik veel van wat ik schreef vaak ook weer verwijderde of eindeloos bleef herschrijven in verschillende stemmen.)







